Pagina's

Posts tonen met het label Douglas Botting. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Douglas Botting. Alle posts tonen

donderdag 2 april 2015

Geïmproviseerde Mars of Schrandere Scherts?


Karl Hammer heeft de originele ‘Pastoorsbrief’ van Schulz in bruikleen gekregen, om er een digitale scan van te maken. ‘Marsch Impromptu’ kan vertaald worden als ‘geïmproviseerde mars’, merkt hij op. De gerenommeerde jazz pianist en componist Jef Neve noemt de partituur van Gottfried Federlein in Reyers Laat ([1]) ‘een heel pover stukje muziek, en duidelijk een begeleiding van het ontbrekende gedeelte’. De bladmuziek draagt de vermelding ‘secondo’, er moet dus ook een ‘primo’ pagina zijn, met daarop de melodie.
Wat nog het meest opvalt, is dat de term ‘impromptu’ hier in het geheel niet van toepassing is, omdat die, in de muziek, slaat op ‘een lichte vorm van improvisatie. In dit geval is de vorm zo strak dat er geen sprake kan zijn van improvisatie’. Bij een (militaire?) mars verwacht je ook niet dadelijk enige improvisatie. De algemene betekenis van de term ‘impromptu’ is overigens ‘iets dat zonder voorbereiding, voor de vuist weg is gemaakt, of een snel opgevatte zinrijke gedachte, of een schrandere scherts’ ([2]).
Als ‘improviseren’ en ‘militair marcheren’ bij elkaar horen als water en vuur, dan kun je net hetzelfde zeggen over de code, die allerminst ‘voor de vuist weg’ gemaakt is. ‘Schrandere scherts’ dan? Nee, ook dat niet echt.
Een zekere Franklin heeft een digitale versie gemaakt van het muziekstuk, dat je op zijn website kunt downloaden als MP3. ([3]) ‘Kennelijk was het stuk afkomstig uit een groter geheel,’ schrijft Hammer, ‘wat werd bevestigd door de opdruk “No. 34” vlak voor de notenbalk. Schulz had de oorsprong van het stuk getraceerd. De pagina kwam uit de Practischer Lehrgang des Vierhändigen Clavierspiels, bewerkt door Josef Löw en samengebracht in de Collection Litolff. ‘
Boven de verschillende notenbalken stond een getypte tekst die niet in het origineel voorkwam:

Wo Matthias Die Saiten Streichelt
Edelweiβ Über Schwarzwald
Kein Wasser Kalt
Predigtstuhl Kreuz u. Kranz
Nordost Die Krone
Enden der Tanz      1o O5O 16 2 19

‘Verborgen tussen de noten van het muziekstuk stonden kleine runentekens die daar zorgvuldig met een potlood ingetekend waren. (…) Als laatste stond er aan de spits van een crescendoteken een elegante M, die binnen het muziekstuk geen enkele betekenis had.’
Schulz had geprobeerd een betekenis te vinden in de getypte tekst, maar was daar niet in geslaagd. Zo kon de eerste zin al meteen op meerdere manieren uitgelegd worden, en dacht hij aan de Mattheüs Passie van Bach. ‘Schulz had eindeloos gepuzzeld met de woorden en ze in andere volgordes geplaatst om op die manier nieuwe zinnen te maken die mogelijk meer betekenis onthulden. (…) Telkens liep hij muurvast, waarna hij besloot om de tekst voorlopig te negeren en zich te concentreren op de runentekens.’ Vervolgens krijgen we, in de gekende Hammer stijl, een gortdroge uiteenzetting van 5 bladzijden over runen.
‘Met het document op mijn bureau begon ook ik mijn feitelijke zoektocht,’ schrijft Hammer, en opnieuw maakt de fictieschrijver een fout tegen de interne logica van zijn eigen verhaal. Op pagina 9 van zijn boek, bij zijn eerste kennismaking met Schulz, is er al sprake van ‘honderden staven goud van de Reichsbank’. Het is bijgevolg volstrekt onlogisch dat een man als Schulz, die zo gedetailleerd is geïnformeerd over het doen en laten van Bormann, Schwarz, pastoor Otto en Werwolf, en die bovendien heel goed weet dat het document te maken heeft met het goud van de Reichsbank en ‘de tranen van de wolf’, niét op de hoogte zou zijn van een standaardwerk en internationale bestseller uit 1984, die sindsdien voortdurend in druk is gebleven en waarin de link tussen Matthias en Mittenwald voor het grijpen ligt. Even ongeloofwaardig is het dat een onderzoeksjournalist die al geruime tijd research doet naar deze kwestie geen weet zou hebben van dat zelfde boek: Nazi Gold – the Story of the World’s Greatest Robbery van Douglas Botting en Ian Sayer.
‘Ik liep alle conclusies na die Schulz had getrokken en kon er op het eerste gezicht geen fouten in ontdekken,’ schrijft Hammer. Hij denkt aan de website van de National Archives, waar te lezen stond dat SS-majoor Kurt Haller von Hallerstein in 1945 ‘bijna een miljoen aan waardepapieren en juwelen had begraven nabij Garmisch, een stad in Beieren’ – maar hij denkt niet aan Mittenwald, nog geen 20 kilometer verderop. Liever doet hij ‘een onderzoekje’ in de Italiaanse stad Merano, die tijdens de oorlog fungeerde ‘als spil om vals geld wit te wassen waarmee goederen voor de SS en Duitse spionnen werden verkocht.’ De ‘M’ van Merano had zijn aandacht getrokken, ook al vond hij het vreemd dat er aan het eind van de oorlog nog nazi-schatten naar Italië zouden gebracht zijn. De ‘M’ van Mittenwald daarentegen…
De vrouw van Martin Bormann, Gerda, was gestorven in Merano – maar er bleek niets te vinden dat op een of andere manier de ‘M’ in de code kon verklaren. Tot Hammer een artikel over de Italiaanse stad Bolzano onder ogen kreeg, waar Gerda ook een tijdje was geweest. Er bestond al eeuwenlang een directe verbinding tussen Bolzano en het Duitse plaatsje Mittenwald, dat net tegen de grens lag, in Beieren lag. Er werd om de vijf jaar zelfs een ‘Bozener Markt’ ([4]) georganiseerd. ‘Een passage in de omschrijving deed alle bellen rinkelen. Er stond dat Mittenwald vooral bekend was vanwege de beroemde vioolbouwer Matthias Klotz die er in de 17e eeuw leefde.’
Hammer voelt instinctief dat hij in de goede richting zit en vindt bij een antiquair een boekje over Matthias Klotz, helaas zonder dat het hem ook verdere directe aanknopingspunten oplevert voor zijn zoektocht. ‘Maar het boekje versterkte wel mijn beeld van Mittenwald en ik begon te speuren naar andere aanwijzingen. Nog dezelfde dag had ik mijn antwoord.  Mittenwald ligt in een dal en aan de rand bevindt zich een kazerne van de Gebirgsjäger, een afdeling van bergsoldaten binnen het Duitse leger. Het logo van deze bergsoldaten is… een Edelweiss.’
Dat klinkt allemaal heel onderzoeksjournalistiekerig, en in een jongensboek uit de jaren 50 zou je hier zeker wel mee weggekomen zijn. Maar in de werkelijkheid van de 21ste eeuw bestaat er ook zoiets als Google, waar je in een paar seconden de link vindt tussen Mittenwald, de bergjagers en hun logo ([5]). Eens te meer ontmaskert Hammer zichzelf als een bijzonder onprofessionele ‘onderzoeksjournalist’… of een zeer slecht fictieschrijver.
Op de Wikipedia-pagina van Mittenwald lees je dat het een gemeente is aan de bovenloop van de Isar, ongeveer 100 kilometer ten zuiden van München, met zo’n 7000 inwoners. Het ligt aan de grens van Oostenrijk, tussen het Karwendel- en Wettersteingebergte. Het plaatsje is enigszins bekend vanwege vioolbouwer Matthias Klotz, maar ook omdat het al vele decennia dienst doet als centrum voor de bergjagers van de Bundeswehr ‘en haar voorgangers. Hierdoor bevindt zich op grote hoogte een omstreden gedenkteken, waarbij jaarlijks met Pinksteren de bergjagers van de Wehrmacht en de Bundeswehr hun gevallen kameraden herdenken. Omdat de bergjagereenheden van de Wehrmacht bij slachtpartijen in Griekenland aanwezig waren, vinden sinds 2002 protestacties tegen deze dodenherdenkingen plaats.’
Hammer kan niet anders dan de ‘ernstige beschuldigingen’ vermelden, voegt eraan toe dat anderen deze weerleggen als zijnde ‘boosaardige propaganda’, en verklaart daarmee opnieuw een potentieel bijzonder interessante piste voor gesloten. Want met een organisatie als Werwolf in het achterhoofd, en als het over oorlogsmisdaden en omstreden herdenkingen gaat, dan verdient een vermelding van dit soort activiteiten toch ook een nader ‘onderzoekje’? Hammer stelt zelf dat de bergjagers elitetroepen zijn, die erop getraind worden om op moeilijk terrein en in barre omstandigheden in actie te komen. ‘Wanneer er geen wegen zijn, maken ze gebruik van smalle bergpaden of klimmen langs rotsen met hun loodzware bepakking die bestaat uit wapens, munitie en proviand. Hun behendigheid op de ski’s was de inspiratie voor de achtervolgingsscènes in de beroemde James Bond-film On Her Majesty’s Secret Service. Hoeveel dichter kun je bij potentiële leden van Werwolf komen?
Zoals gewoonlijk wanneer Hammer ostentatief iets verzwijgt, loont het de moeite even poolshoogte te nemen wat hij dan wel links heeft laten liggen. Maar dat zou ons op dit moment te ver leiden; ik kom er graag in een volgend hoofdstuk op terug.
Hammer trekt erop uit om de kazerne van de bergjagers te  bekijken, maar daar vindt hij ‘niets dat ik in verband met de code kon brengen’. Tsja.
‘Wie heeft het goud eigenlijk begraven?’ vraagt hij zich af, blijkbaar voor het eerst. ‘Misschien waren er wel enkele Gebirgsjäger bij betrokken. Gaandeweg besefte ik dat die laatste optie onwaarschijnlijk was want dan had Bormann aan   Schwarz een bericht gestuurd om contact met die legereenheid op te nemen.’
Opnieuw spreekt Hammer de logica van zijn eigen verhaal tegen. Aangezien hij er nog niet in geslaagd is de code te breken, kan ze best ook dit bericht verbergen. En waarom zou Bormann met Schwarz in het ene geval wél gecodeerd communiceren over een bergplaats, en in het andere geval niet?
Andermaal blijkt bovendien dat Hammer na al die tijd nog steeds volstrekt niets afweet van wat er zoal gebeurd is in Mittenwald, met het goud van de Reichsbank waarop Schulz hem al bij hun eerste ontmoeting attent heeft gemaakt. Of dit om een onbegrijpelijke reden verzwijgt. Wat hij onwaarschijnlijk noemt, is immers exact wat beschreven staat in de eerder genoemde internationale bestseller, gedocumenteerd en wel.
Liever houdt Hammer het bij niet gedocumenteerde, vage hypothese rond SS-officier Hermann Otto Fegelein, die tijdens de laatste maanden van de oorlog in de Führerbunker verbleef, en op 29 april spoorloos verdween. Hij werd door een aantal SS-ers die het bevel hadden gekregen hem op te sporen bij hem thuis gevonden, in burgerkleding. Ze arresteerden Fegelein en brachten hem terug naar de bunker, waar hij ter dood veroordeeld en geëxecuteerd werd. Zijn vlucht werd door Hitler geïnterpreteerd als een onderdeel van het plan van Himmler om vrede te sluiten met de westerse geallieerden.
Maar laten we nog even bij Hammer blijven, en in Mittenwald. Even ten zuiden van het dorp vindt hij een stukje bos met de naam Schwarzwald. De kazerne van de bergjagers ligt ten noorden van dit bos: ‘Edelweiss Über Schwarzwald’ dus. En oostelijk van het dorp bevindt zich een bergtop die ‘Predigtstuhl’ wordt genoemd. ‘Kort daarop vond ik een berg die Kreuzwand heette en ten westen van Mittenwald een Kranzberg. Predigtstuhl, Kreuz und Kranz?’ Jammer genoeg vindt hij geen ‘Krone’, en ook van ‘Kein Wasser Kalt’ is geen spoor te bekennen.
Nog steeds heeft Hammer niet aan Schulz verteld dat hij ongetwijfeld een hele stap vooruit heeft gezet, wat het breken van de code betreft. In augustus 2007 keert hij samen met zijn vriend Christiaan terug naar Mittenwald om de speurtocht ‘voor echt’ aan te vatten. Merkwaardig genoeg heeft hij nog altijd geen weet van de centrale rol die de bergjagers van Mittenwald spelen in het ‘waargebeurde verhaal’ over het verdwenen nazi goud. Hammer en zijn vriend doen wat aan sightseeing en brainstorming, en ze denken eraan ‘even langs de kazerne van de Gebirgsjäger te rijden’, want Hammer wil graag zien of hij zich niet vergist heeft ‘in hun locatie en het embleem’. Allo?
Uiteraard levert het uitje ook weer geen relevante informatie op, en die vinden ze evenmin ‘de dagen erna’. Hammer knoopt ‘regelmatig gesprekjes aan met mensen uit Mittenwald’ en komt te weten dat ‘Hitler en de Tweede Wereldoorlog in deze gemeenschap een gevoelig onderwerp waren’. Soms vraag je je echt af of je in een aflevering van Allo-Allo verzeild bent geraakt, en deze speurder een onderzoek instelt naar The Fallen Madonna With the Big Boobies.
Hammer blijft maar als een kat rond de hete brij van de Gebirgsjäger draaien. Uit zijn gesprekken blijkt dat er ‘iets vervelends’ aan de hand is met de soldaten van Mittenwald (in oktober 2006 poseerden ze in Afghanistan met de schedel van een skelet). Waarna hij blijkbaar een herdenkingsdienst bijwoont, zoals die al sinds 1952 in Mittenwald worden georganiseerd, en waarin ‘alle’ (Hammers cursief) oorlogsslachtoffers worden herdacht. ‘De herdenking was niet om iets te verheerlijken, maar om te waarschuwen tegen oorlogsgeweld.’ – Zoals gezegd, kom ik hier later nog op terug. Voorlopig volstaat het als ik aanstip dat ik Hammer niet geloof wanneer hij vertelt een herdenkingsdienst bijgewoond te hebben. Het is één van die dingen die een onderzoeksjournalist fotografisch zou documenteren, maar wij krijgen alleen een nietszeggende foto van het monument voor de Bergsoldaten te zien, op de Hohen Brendten. Dan weet je het wel.
Hammer maakt een afspraak met de ‘voorlichtingsdienst’, en ene onderofficier Sprenger maakt hem wegwijs in de kazerne van de Gebirgsjäger en vertelt hem wat er zoal komt kijken bij hun training. ‘Dat was niet mis en ik kon me wel voorstellen waar ze hun bijzondere reputatie vandaan hadden. Na enige tijd kwamen we bij een ander gedeelte van het complex waar vroeger de hoofdingang was. Dit leverde een veel mooier plaatje op dan de huidige ingang. (…) We raakten aan de praat met andere militairen en ik informeerde naar de achtergronden van het gedenkteken op de Hohen Brendten. Volgens iedereen was het daar neergezet om praktische redenen. Er was een nabijgelegen trainingskamp en de grond was beschikbaar. Er hadden zich in het verleden geen bijzondere of emotionele situaties voorgedaan waarom het gedenkteken precies op die plaats was neergezet.’ En daarmee is de kous af.
Na meer dan een week puzzelen in Mittenwald, ‘maakte Christiaan een terloopse opmerking die de zaak op zijn kop zette. Wat zou er gebeuren als je de runen uit het document  lichtte en ze op precies dezelfde plaats op een blanco papier tekende?’ Op die manier verschenen de woorden BAUM, STEIN en KREUZ.
Pas op pagina 228 van zijn boek, bij zijn tweede bezoek aan Mittenwald, na meer dan twee weken van omzwervingen met Christiaan en gesprekken met de plaatselijke bevolking en de bergjagers, belandt Hammer – eindelijk! er zijn nog hooguit 10 bladzijden te gaan! – waar hij al sinds zijn eerste ontmoeting met Schulz, op pagina 9, had kunnen landen:

Stap voor stap leek ik toch dichter bij mijn doel te komen en het verhaal dat ik hoorde over een gebeurtenis bij de Walchensee, een meer ten noorden van Mittenwald, bevestigde mijn gedachte. Er had zich in April 1945 een incident met nazi-goud voorgedaan aan de zuidelijke oever van het meer, bij het dorp Einsiedl.
Aan het eind van de oorlog was er een konvooi met goud van de Reichsbank aangekomen bij de Gebirgsjäger-kazerne. Op dat moment waren de geallieerden al dichtbij en de begeleidende SS-officieren gaven bevel om de lading zo snel mogelijk te verbergen. De Gebirgsjäger hadden hier kennelijk weinig zin in. Hun commandanten zagen in dat de oorlog verloren was en vonden het belangrijker dat de bevolking werd beschermd door de orde te handhaven. Een zekere kolonel Pfeiffer kreeg echter te horen dat hij als deserteur werd aangemerkt wanneer hij de orders zou weigeren en stemde er uiteindelijk mee in om het goud te verbergen. Het eerste plan was om de lading naar de Fereinalm te brengen, een alpenweide hoog op een berg achter de kazerne. Daar stonden verschillende particuliere jachthutten die als schuilplaats konden dienen. Volgens de overlevering weigerde de boswachter van het gebied echter zijn medewerking.
Tegenwoordig zijn de paden naar de Fereinalm goed aangegeven, maar in 1945 was het vrijwel onmogelijk om de weg door de bergen te vinden zonder gids. Daarop werd besloten om de lading naar de bergen ten zuiden van de Walchensee te brengen. Het goud werd uitgeladen bij de woning van de lokale boswachter aan de rand van het meer. Van daaruit werd een gedeelte begraven op een richel die Steinriegel werd genoemd. Met dynamiet werden gaten gemaakt in de grond die groot genoeg waren voor tientallen staven. Op andere plaatsen verstopte men het goud diep tussen de wortels van bomen. Daarna werd alles toegedekt met aarde, mos en takjes, zodat er niets meer van te zien was. Wat niet verstopt kon worden, werd in het meer gedumpt. Omdat vrijwel iedereen in Mittenwald wist van het konvooi, konden de geallieerden er vrij gemakkelijk achter komen wat er was gebeurd. De Amerikanen traceerden het goud en voerden het af. Daarna heeft niemand er meer iets van gezien of gehoord en iedereen gaat er tegenwoordig van uit dat de Amerikanen het in eigen zak hebben gestoken.

Wat mij nog het meest van al verbaast, is dat het geen van de speurders is opgevallen hoe vaak Hammer zichzelf in de voeten schiet. Als indertijd ‘vrijwel iedereen in Mittenwald wist van het konvooi’, dan moest dat ook nog een sterk verhaal zijn dat leefde onder de plaatselijke bevolking, toen Hammer daar wekenlang praatjes liep aan te knopen. Dat de bergjagers met geen woord over dit soort geschiedenissen repten, die al vele jaren lang het onderwerp waren van geruchtmakende televisiedocumentaires ([6]) is eveneens compleet onbegrijpelijk. Hammer, die een professioneel televisieverleden heeft, lijkt ook nooit iets over die documentaires opgevangen te hebben. Voor de rest komt de naam ‘Pfeiffer’ tientallen keren voor in Nazi Gold van Botting & Sayer, en is het volstrekt ongeloofwaardig dat werkelijk niémand van Hammers vele gesprekspartners de ‘onderzoeksjournalist’ in die weken op het spoor van de internationale bestseller heeft gezet. Of gebruikt Hammer de modus operandi die hij al eerder in Satans Lied heeft tentoongespreid, en verwerkt hij zijn lectuur (en het boek Nazi Gold) in fictieve ‘inside information’ die zogenaamd het gevolg is van naarstig speurwerk? En doet hij dat zo klungelig dat zijn plot veel weg heeft van een oer-Hollandse gatenkaas?
Hammer ontdekt nog de initialen van Franz Xaver Schwarz in de runen en vindt een botje bij de Hohen Brendten… met ‘politiespeurtocht naar lijk’ tot gevolg, én een foto uit het Archief Karl Hammer. Maar uiteraard is ook dit niet meer dan een iel stormpje in een enorm glas water en houdt het geen enkel verband met het eigenlijke verhaal.
En uiteindelijk stopt dat verhaal ineens nog voor het goed en wel begonnen is. We zijn dan bij pagina 240. Hammer neemt niet eens meer de moeite er nog een of ander slot aan te breien, of de losse draadjes op te rapen die hij her en der heeft laten rondslingeren.






[4] Bozen is de Duitse naam voor Bolzano.
[6] Op Youtube: Tracking Nazi Gold - Dead Men’s Secrets (http://youtu.be/le1TT53tGEc) en Nazi Underworld (Nazi Gold) (http://youtu.be/YrPFa0Cq7C4) van National Geographic. 

donderdag 26 maart 2015

X Never, Ever Marks the Spot

Uit het Archief van Ysa Pastora: De Postkaart Code

Schatverhalen, voorzover ze verzonnen zijn, gebruiken altijd hetzelfde cliché, want dat verwacht het publiek nu eenmaal. In een spannend avonturenverhaal werkt zo’n cliché opperbest. Alleen heeft het helemaal niks met de werkelijkheid te maken. Of zoals Indiana Jones, tongue-in-cheeck, het ooit zo welsprekend uitdrukte: ‘We do not follow maps to buried treasure and X never, ever marks the spot.’ 
Er is geen enkele goeie reden te bedenken waarom je een afschuwelijk ingewikkelde code zou construeren om andere ingewijden of samenzweerders de bergplaats van een schat mee te delen. Waarom zou je je toevlucht nemen tot runentekens, muziekpartituren, hermetische gedichten en meer van dat soort romantische, raadselachtige puzzels… als je ook in een handomdraai een simpele en onbreekbare code kunt afspreken? Er bestaan tal van zeer effectieve, maar in wezen erg eenvoudige codesystemen, waarmee je perfect en in het grootste geheim met elkaar kunt communiceren ([1]):  je spreekt bijvoorbeeld een bepaalde editie van een boek af (Mein Kampf ligt in dit geval wat al te zeer voor de hand) en werkt dan met een cijfercode waarvan het Romeinse cijfer bijvoorbeeld verwijst naar de bladzijde, het Arabische cijfer naar de regel, en het woord ‘zeventien’ naar de zeventiende letter op die regel.
Als het Bormann, Schwarz en Co. louter te doen was om het meedelen van een bergplaats voor goud en diamanten, waarmee Werwolf gefinancierd kon worden, dan was dit eindeloos veel makkelijker, sneller, effectiever en veiliger geweest.
Zeg ik nu dat er geen schat te vinden is op de plek waar de gecodeerde partituur naar verwijst?
Nee, dat zeg ik niet. Ik zeg alleen dat het verhaal van Bormann, Schwarz en pastoor Otto, van Hammer en Schulz en Werwolf de toets van de historische kritiek niet weerstaat, maar ook niet die van het gezond boerenverstand. En als het ging om een gezamenlijk plan van Bormann en Schwarz, wat zouden zij dan met elkaar moeten communiceren in code over een bergplaats, die hen al veel eerder bekend moest geweest zijn. Waarom moest Bormann per sé nog vanuit Berlijn, langs pastoor Otto om, aan Schwarz laten weten waar het goud verstopt werd, waarover zij al een tijdje aan het samenzweren waren? Het goud dat nota bene niet door Bormann zelf verstopt was, maar wellicht door een afdeling van Werwolf, of hun medestanders? Die zullen toch ook wel geweten hebben waar ze het goud verstopten?
Er is al eerder en door diverse schattenjagers op gewezen dat de bergplaats van het goud van Werwolf of de diamanten van Hitler aan veel meer mensen bekend zal geweest zijn, dan alleen aan Bormann. Ook is het naïef te veronderstellen dat Bormann de waarheid en niets dan de waarheid zou vertellen aan iemand als ‘pastoor Otto’. Zoals het ook mogelijk is dat andere codes naar de bergplaats verwijzen. Waaruit volgt dat de inhoud van de bergplaats gewoon gebruikt kan zijn door Werwolf, niet om een guerilla te financieren (want dat bleek al gauw niet echt haalbaar), maar wel de nazi ontsnappingslijnen en de diverse neonazi bewegingen die reeds kort na de oorlog ontstonden. 
Volgens ‘wonderzoeker’ Leon Giesen ([2]) was het niet de bedoeling van de nazi’s dat de code ‘door een derde’ begrepen zou worden: ‘Hammer deed het goed, hij heeft het document precies gebruikt zoals een vreemde het moest gebruiken. Hij trapte er in.’ Volgens Giesen moet je het document ‘niet zozeer zien als een gecodeerde schatkaart die door puzzelen opgelost kan worden, maar meer als een versleutelde memo. De gebruiker wist al ongeveer, of misschien precies waar het lag. Hij moest het vooral niet vergeten.’
Maar, eerlijk gezegd, ook in dat geval ben je veel effectiever af met een eenvoudige code. ‘Een geheime boodschap of code maken is nog niet zo gemakkelijk,’ zegt Giesen. ‘En deze is echt listig.’ – Dat is allemaal zeer waar, maar het geldt alleen voor een treasure hunt die je organiseert bij wijze van spel, of voor fictieve schattenjachten die het moeten hebben van een ferme dosis suspense, genre The Gold Bug van Edgar Allan Poe. In het échte leven ga je geen ‘echt listige’ ingewikkelde geheime codes bedenken; je noteert gewoon ergens een cijfercode gebaseerd op een boek. ‘Het is een beetje zoals je voor jezelf je pincode opschrijft om hem niet te vergeten. Jij snapt hem. Iemand aan wie je het uitlegt snapt het ook. Maar een vreemdeling niet.’ – Dat kan allemaal best wezen, maar waarom zou ik, om mijn pincode niet te vergeten, een ingewikkelde, versleutelde ‘memo’ gaan bedenken?

Op pagina 177 van Codebrekers is Hammer – eindelijk! – terecht gekomen op de website van de National Archives (NARA) in Washington:

In het verslag Searching for Records Relating to Nazi Gold stond dat SS-majoor Kurt Haller von Hallerstein destijds bekende dat hij bijna een miljoen aan waardepapieren en juwelen had begraven nabij Garmisch in Duitsland. Op 25 mei 1945 werd onder toezicht van de Amerikanen zijn buit opgegraven. Daaruit bleek dat het verstoppen van buit inderdaad gebeurde. Verder ging het verslag in op het feit dat de Amerikanen die door Duitsland denderden in de eerste week van april 1945 van de lokale bevolking in het plaatsje Merkers te horen kregen dat de nazi’s een grote schat in de buurt hadden begraven. Toen men een nabijgelegen zoutmijn inspecteerde, vond men goudstaven, zakken met gouden munten, buitenlandse valuta, kunstwerken en andere waardevolle voorwerpen. Dit was ongetwijfeld de lading uit de Reichsbank waar Otto over hoorde tijdens zijn gesprek met Bormann en Schwarz in de sauna. De tegenwoordige waarde van die vondst wordt geschat op 2,5 miljard dollar.

Waarna hij snel weer andere wegen bewandelt, want het wordt warm… en over gouden tandvullingen van joodse slachtoffers begint, lampenkappen uit mensenhuid, de Holocaust en zijn ontkenners. Waarmee we op pagina 192 in (het laatste) Deel 5 van Codebrekers beland zijn, getiteld Kamer zes, dat start met een uitgebreide beschrijving van de gecodeerde partituur, even inzoomt op ‘de taal van de runentekens’, en dan via de letter M, op pagina 209 (het boek telt 240 pagina’s) eindelijk belandt waar hij al 200 pagina’s eerder had kunnen landen, namelijk in Mittenwald. Want inderdaad, had onderzoeksjournalist Karl Hammer ook maar enig onderzoek verricht, dan zou hij daar al meteen na zijn eerste gesprek met Schulz, zoals weergegeven op pagina 9, zijn neergestreken:

Schulz keek mij een moment indringend aan. ‘Die diamanten liggen sinds het eind van de oorlog samen met honderden staven goud van de Reichsbank nog altijd ergens verborgen.’

In het standaardwerk Nazi Gold, van Ian Sayer en Douglas Botting, ‘het sensationele verhaal over de grootste roof ter wereld’, die van het nazi goud uit de Reichsbank, is het plaatsje Mittenwald in Beieren, samen met Garmisch-Partenkirchen, een draaischijf van het hele gebeuren.
En zo ondergraaft Karl Hammer dan nogmaals, en tamelijk finaal, zijn eigen scenario en zijn eigen geloofwaardigheid als schrijver en onderzoeksjournalist. Immers, als het goud afkomstig is van twee zendingen uit de Reichsbank, of van een zo mogelijk nog mysterieuzer derde (over München en Bad Tölz) en vierde transport (uit Berchtesgaden), dan wisten alleen ene kolonel Pfeiffer, of Weerwolven ter plaatse, of nog nader te identificeren mysterieuze personen maar al te goed waar ze al die schatten verstopt hadden… en dan wist Bormann waarschijnlijk helemaal nergens van. Een beetje onderzoeksjournalist zou na zijn eerste ontmoeting met de geheimzinnige contactpersoon Peter Schulz al meteen wat gaan surfen zijn op het web, en bij voor de hand liggende zoekwoorden als ‘nazi’, ‘gold’ en ‘Reichsbank’ ongetwijfeld op het boek van Sayer en Botting gestoten zijn. En die zou er bijgevolg geen 200 pagina’s en een verdomd lange tijd over gedaan hebben om poolshoogte te gaan nemen in Mittenwald.
Tenzij die hele ‘Peter Schulz’ van Hammer natuurlijk een fictie is. Als hij dat niet is, moet men zich weer afvragen hoe het komt dat een man die zo gedetailleerd weet te vertellen over tal van onderwerpen, gerelateerd aan Bormann, Schwarz, pastoor Otto, het persoonlijke fortuin van Hitler, Werwolf, de Reichsbank en het verdwenen nazi goud, het boek van Sayer en Botting niet kent, of daar althans met geen woord over rept tegen zijn gesprekspartner.
Er bestaat natuurlijk ook nog een derde mogelijkheid: dat Hammer een loopje neemt met de waarheid, als het aankomt op de ware toedracht van zijn gesprekken met ene ‘Peter Schulz’, en de inhoud daarvan.


Uit het Archief van Ysa Pastora:
eDelweiss über Schwar(zwald?) (51 0)



PS: