Pagina's

Posts tonen met het label Martin Bormann. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Martin Bormann. Alle posts tonen

donderdag 2 april 2015

Geïmproviseerde Mars of Schrandere Scherts?


Karl Hammer heeft de originele ‘Pastoorsbrief’ van Schulz in bruikleen gekregen, om er een digitale scan van te maken. ‘Marsch Impromptu’ kan vertaald worden als ‘geïmproviseerde mars’, merkt hij op. De gerenommeerde jazz pianist en componist Jef Neve noemt de partituur van Gottfried Federlein in Reyers Laat ([1]) ‘een heel pover stukje muziek, en duidelijk een begeleiding van het ontbrekende gedeelte’. De bladmuziek draagt de vermelding ‘secondo’, er moet dus ook een ‘primo’ pagina zijn, met daarop de melodie.
Wat nog het meest opvalt, is dat de term ‘impromptu’ hier in het geheel niet van toepassing is, omdat die, in de muziek, slaat op ‘een lichte vorm van improvisatie. In dit geval is de vorm zo strak dat er geen sprake kan zijn van improvisatie’. Bij een (militaire?) mars verwacht je ook niet dadelijk enige improvisatie. De algemene betekenis van de term ‘impromptu’ is overigens ‘iets dat zonder voorbereiding, voor de vuist weg is gemaakt, of een snel opgevatte zinrijke gedachte, of een schrandere scherts’ ([2]).
Als ‘improviseren’ en ‘militair marcheren’ bij elkaar horen als water en vuur, dan kun je net hetzelfde zeggen over de code, die allerminst ‘voor de vuist weg’ gemaakt is. ‘Schrandere scherts’ dan? Nee, ook dat niet echt.
Een zekere Franklin heeft een digitale versie gemaakt van het muziekstuk, dat je op zijn website kunt downloaden als MP3. ([3]) ‘Kennelijk was het stuk afkomstig uit een groter geheel,’ schrijft Hammer, ‘wat werd bevestigd door de opdruk “No. 34” vlak voor de notenbalk. Schulz had de oorsprong van het stuk getraceerd. De pagina kwam uit de Practischer Lehrgang des Vierhändigen Clavierspiels, bewerkt door Josef Löw en samengebracht in de Collection Litolff. ‘
Boven de verschillende notenbalken stond een getypte tekst die niet in het origineel voorkwam:

Wo Matthias Die Saiten Streichelt
Edelweiβ Über Schwarzwald
Kein Wasser Kalt
Predigtstuhl Kreuz u. Kranz
Nordost Die Krone
Enden der Tanz      1o O5O 16 2 19

‘Verborgen tussen de noten van het muziekstuk stonden kleine runentekens die daar zorgvuldig met een potlood ingetekend waren. (…) Als laatste stond er aan de spits van een crescendoteken een elegante M, die binnen het muziekstuk geen enkele betekenis had.’
Schulz had geprobeerd een betekenis te vinden in de getypte tekst, maar was daar niet in geslaagd. Zo kon de eerste zin al meteen op meerdere manieren uitgelegd worden, en dacht hij aan de Mattheüs Passie van Bach. ‘Schulz had eindeloos gepuzzeld met de woorden en ze in andere volgordes geplaatst om op die manier nieuwe zinnen te maken die mogelijk meer betekenis onthulden. (…) Telkens liep hij muurvast, waarna hij besloot om de tekst voorlopig te negeren en zich te concentreren op de runentekens.’ Vervolgens krijgen we, in de gekende Hammer stijl, een gortdroge uiteenzetting van 5 bladzijden over runen.
‘Met het document op mijn bureau begon ook ik mijn feitelijke zoektocht,’ schrijft Hammer, en opnieuw maakt de fictieschrijver een fout tegen de interne logica van zijn eigen verhaal. Op pagina 9 van zijn boek, bij zijn eerste kennismaking met Schulz, is er al sprake van ‘honderden staven goud van de Reichsbank’. Het is bijgevolg volstrekt onlogisch dat een man als Schulz, die zo gedetailleerd is geïnformeerd over het doen en laten van Bormann, Schwarz, pastoor Otto en Werwolf, en die bovendien heel goed weet dat het document te maken heeft met het goud van de Reichsbank en ‘de tranen van de wolf’, niét op de hoogte zou zijn van een standaardwerk en internationale bestseller uit 1984, die sindsdien voortdurend in druk is gebleven en waarin de link tussen Matthias en Mittenwald voor het grijpen ligt. Even ongeloofwaardig is het dat een onderzoeksjournalist die al geruime tijd research doet naar deze kwestie geen weet zou hebben van dat zelfde boek: Nazi Gold – the Story of the World’s Greatest Robbery van Douglas Botting en Ian Sayer.
‘Ik liep alle conclusies na die Schulz had getrokken en kon er op het eerste gezicht geen fouten in ontdekken,’ schrijft Hammer. Hij denkt aan de website van de National Archives, waar te lezen stond dat SS-majoor Kurt Haller von Hallerstein in 1945 ‘bijna een miljoen aan waardepapieren en juwelen had begraven nabij Garmisch, een stad in Beieren’ – maar hij denkt niet aan Mittenwald, nog geen 20 kilometer verderop. Liever doet hij ‘een onderzoekje’ in de Italiaanse stad Merano, die tijdens de oorlog fungeerde ‘als spil om vals geld wit te wassen waarmee goederen voor de SS en Duitse spionnen werden verkocht.’ De ‘M’ van Merano had zijn aandacht getrokken, ook al vond hij het vreemd dat er aan het eind van de oorlog nog nazi-schatten naar Italië zouden gebracht zijn. De ‘M’ van Mittenwald daarentegen…
De vrouw van Martin Bormann, Gerda, was gestorven in Merano – maar er bleek niets te vinden dat op een of andere manier de ‘M’ in de code kon verklaren. Tot Hammer een artikel over de Italiaanse stad Bolzano onder ogen kreeg, waar Gerda ook een tijdje was geweest. Er bestond al eeuwenlang een directe verbinding tussen Bolzano en het Duitse plaatsje Mittenwald, dat net tegen de grens lag, in Beieren lag. Er werd om de vijf jaar zelfs een ‘Bozener Markt’ ([4]) georganiseerd. ‘Een passage in de omschrijving deed alle bellen rinkelen. Er stond dat Mittenwald vooral bekend was vanwege de beroemde vioolbouwer Matthias Klotz die er in de 17e eeuw leefde.’
Hammer voelt instinctief dat hij in de goede richting zit en vindt bij een antiquair een boekje over Matthias Klotz, helaas zonder dat het hem ook verdere directe aanknopingspunten oplevert voor zijn zoektocht. ‘Maar het boekje versterkte wel mijn beeld van Mittenwald en ik begon te speuren naar andere aanwijzingen. Nog dezelfde dag had ik mijn antwoord.  Mittenwald ligt in een dal en aan de rand bevindt zich een kazerne van de Gebirgsjäger, een afdeling van bergsoldaten binnen het Duitse leger. Het logo van deze bergsoldaten is… een Edelweiss.’
Dat klinkt allemaal heel onderzoeksjournalistiekerig, en in een jongensboek uit de jaren 50 zou je hier zeker wel mee weggekomen zijn. Maar in de werkelijkheid van de 21ste eeuw bestaat er ook zoiets als Google, waar je in een paar seconden de link vindt tussen Mittenwald, de bergjagers en hun logo ([5]). Eens te meer ontmaskert Hammer zichzelf als een bijzonder onprofessionele ‘onderzoeksjournalist’… of een zeer slecht fictieschrijver.
Op de Wikipedia-pagina van Mittenwald lees je dat het een gemeente is aan de bovenloop van de Isar, ongeveer 100 kilometer ten zuiden van München, met zo’n 7000 inwoners. Het ligt aan de grens van Oostenrijk, tussen het Karwendel- en Wettersteingebergte. Het plaatsje is enigszins bekend vanwege vioolbouwer Matthias Klotz, maar ook omdat het al vele decennia dienst doet als centrum voor de bergjagers van de Bundeswehr ‘en haar voorgangers. Hierdoor bevindt zich op grote hoogte een omstreden gedenkteken, waarbij jaarlijks met Pinksteren de bergjagers van de Wehrmacht en de Bundeswehr hun gevallen kameraden herdenken. Omdat de bergjagereenheden van de Wehrmacht bij slachtpartijen in Griekenland aanwezig waren, vinden sinds 2002 protestacties tegen deze dodenherdenkingen plaats.’
Hammer kan niet anders dan de ‘ernstige beschuldigingen’ vermelden, voegt eraan toe dat anderen deze weerleggen als zijnde ‘boosaardige propaganda’, en verklaart daarmee opnieuw een potentieel bijzonder interessante piste voor gesloten. Want met een organisatie als Werwolf in het achterhoofd, en als het over oorlogsmisdaden en omstreden herdenkingen gaat, dan verdient een vermelding van dit soort activiteiten toch ook een nader ‘onderzoekje’? Hammer stelt zelf dat de bergjagers elitetroepen zijn, die erop getraind worden om op moeilijk terrein en in barre omstandigheden in actie te komen. ‘Wanneer er geen wegen zijn, maken ze gebruik van smalle bergpaden of klimmen langs rotsen met hun loodzware bepakking die bestaat uit wapens, munitie en proviand. Hun behendigheid op de ski’s was de inspiratie voor de achtervolgingsscènes in de beroemde James Bond-film On Her Majesty’s Secret Service. Hoeveel dichter kun je bij potentiële leden van Werwolf komen?
Zoals gewoonlijk wanneer Hammer ostentatief iets verzwijgt, loont het de moeite even poolshoogte te nemen wat hij dan wel links heeft laten liggen. Maar dat zou ons op dit moment te ver leiden; ik kom er graag in een volgend hoofdstuk op terug.
Hammer trekt erop uit om de kazerne van de bergjagers te  bekijken, maar daar vindt hij ‘niets dat ik in verband met de code kon brengen’. Tsja.
‘Wie heeft het goud eigenlijk begraven?’ vraagt hij zich af, blijkbaar voor het eerst. ‘Misschien waren er wel enkele Gebirgsjäger bij betrokken. Gaandeweg besefte ik dat die laatste optie onwaarschijnlijk was want dan had Bormann aan   Schwarz een bericht gestuurd om contact met die legereenheid op te nemen.’
Opnieuw spreekt Hammer de logica van zijn eigen verhaal tegen. Aangezien hij er nog niet in geslaagd is de code te breken, kan ze best ook dit bericht verbergen. En waarom zou Bormann met Schwarz in het ene geval wél gecodeerd communiceren over een bergplaats, en in het andere geval niet?
Andermaal blijkt bovendien dat Hammer na al die tijd nog steeds volstrekt niets afweet van wat er zoal gebeurd is in Mittenwald, met het goud van de Reichsbank waarop Schulz hem al bij hun eerste ontmoeting attent heeft gemaakt. Of dit om een onbegrijpelijke reden verzwijgt. Wat hij onwaarschijnlijk noemt, is immers exact wat beschreven staat in de eerder genoemde internationale bestseller, gedocumenteerd en wel.
Liever houdt Hammer het bij niet gedocumenteerde, vage hypothese rond SS-officier Hermann Otto Fegelein, die tijdens de laatste maanden van de oorlog in de Führerbunker verbleef, en op 29 april spoorloos verdween. Hij werd door een aantal SS-ers die het bevel hadden gekregen hem op te sporen bij hem thuis gevonden, in burgerkleding. Ze arresteerden Fegelein en brachten hem terug naar de bunker, waar hij ter dood veroordeeld en geëxecuteerd werd. Zijn vlucht werd door Hitler geïnterpreteerd als een onderdeel van het plan van Himmler om vrede te sluiten met de westerse geallieerden.
Maar laten we nog even bij Hammer blijven, en in Mittenwald. Even ten zuiden van het dorp vindt hij een stukje bos met de naam Schwarzwald. De kazerne van de bergjagers ligt ten noorden van dit bos: ‘Edelweiss Über Schwarzwald’ dus. En oostelijk van het dorp bevindt zich een bergtop die ‘Predigtstuhl’ wordt genoemd. ‘Kort daarop vond ik een berg die Kreuzwand heette en ten westen van Mittenwald een Kranzberg. Predigtstuhl, Kreuz und Kranz?’ Jammer genoeg vindt hij geen ‘Krone’, en ook van ‘Kein Wasser Kalt’ is geen spoor te bekennen.
Nog steeds heeft Hammer niet aan Schulz verteld dat hij ongetwijfeld een hele stap vooruit heeft gezet, wat het breken van de code betreft. In augustus 2007 keert hij samen met zijn vriend Christiaan terug naar Mittenwald om de speurtocht ‘voor echt’ aan te vatten. Merkwaardig genoeg heeft hij nog altijd geen weet van de centrale rol die de bergjagers van Mittenwald spelen in het ‘waargebeurde verhaal’ over het verdwenen nazi goud. Hammer en zijn vriend doen wat aan sightseeing en brainstorming, en ze denken eraan ‘even langs de kazerne van de Gebirgsjäger te rijden’, want Hammer wil graag zien of hij zich niet vergist heeft ‘in hun locatie en het embleem’. Allo?
Uiteraard levert het uitje ook weer geen relevante informatie op, en die vinden ze evenmin ‘de dagen erna’. Hammer knoopt ‘regelmatig gesprekjes aan met mensen uit Mittenwald’ en komt te weten dat ‘Hitler en de Tweede Wereldoorlog in deze gemeenschap een gevoelig onderwerp waren’. Soms vraag je je echt af of je in een aflevering van Allo-Allo verzeild bent geraakt, en deze speurder een onderzoek instelt naar The Fallen Madonna With the Big Boobies.
Hammer blijft maar als een kat rond de hete brij van de Gebirgsjäger draaien. Uit zijn gesprekken blijkt dat er ‘iets vervelends’ aan de hand is met de soldaten van Mittenwald (in oktober 2006 poseerden ze in Afghanistan met de schedel van een skelet). Waarna hij blijkbaar een herdenkingsdienst bijwoont, zoals die al sinds 1952 in Mittenwald worden georganiseerd, en waarin ‘alle’ (Hammers cursief) oorlogsslachtoffers worden herdacht. ‘De herdenking was niet om iets te verheerlijken, maar om te waarschuwen tegen oorlogsgeweld.’ – Zoals gezegd, kom ik hier later nog op terug. Voorlopig volstaat het als ik aanstip dat ik Hammer niet geloof wanneer hij vertelt een herdenkingsdienst bijgewoond te hebben. Het is één van die dingen die een onderzoeksjournalist fotografisch zou documenteren, maar wij krijgen alleen een nietszeggende foto van het monument voor de Bergsoldaten te zien, op de Hohen Brendten. Dan weet je het wel.
Hammer maakt een afspraak met de ‘voorlichtingsdienst’, en ene onderofficier Sprenger maakt hem wegwijs in de kazerne van de Gebirgsjäger en vertelt hem wat er zoal komt kijken bij hun training. ‘Dat was niet mis en ik kon me wel voorstellen waar ze hun bijzondere reputatie vandaan hadden. Na enige tijd kwamen we bij een ander gedeelte van het complex waar vroeger de hoofdingang was. Dit leverde een veel mooier plaatje op dan de huidige ingang. (…) We raakten aan de praat met andere militairen en ik informeerde naar de achtergronden van het gedenkteken op de Hohen Brendten. Volgens iedereen was het daar neergezet om praktische redenen. Er was een nabijgelegen trainingskamp en de grond was beschikbaar. Er hadden zich in het verleden geen bijzondere of emotionele situaties voorgedaan waarom het gedenkteken precies op die plaats was neergezet.’ En daarmee is de kous af.
Na meer dan een week puzzelen in Mittenwald, ‘maakte Christiaan een terloopse opmerking die de zaak op zijn kop zette. Wat zou er gebeuren als je de runen uit het document  lichtte en ze op precies dezelfde plaats op een blanco papier tekende?’ Op die manier verschenen de woorden BAUM, STEIN en KREUZ.
Pas op pagina 228 van zijn boek, bij zijn tweede bezoek aan Mittenwald, na meer dan twee weken van omzwervingen met Christiaan en gesprekken met de plaatselijke bevolking en de bergjagers, belandt Hammer – eindelijk! er zijn nog hooguit 10 bladzijden te gaan! – waar hij al sinds zijn eerste ontmoeting met Schulz, op pagina 9, had kunnen landen:

Stap voor stap leek ik toch dichter bij mijn doel te komen en het verhaal dat ik hoorde over een gebeurtenis bij de Walchensee, een meer ten noorden van Mittenwald, bevestigde mijn gedachte. Er had zich in April 1945 een incident met nazi-goud voorgedaan aan de zuidelijke oever van het meer, bij het dorp Einsiedl.
Aan het eind van de oorlog was er een konvooi met goud van de Reichsbank aangekomen bij de Gebirgsjäger-kazerne. Op dat moment waren de geallieerden al dichtbij en de begeleidende SS-officieren gaven bevel om de lading zo snel mogelijk te verbergen. De Gebirgsjäger hadden hier kennelijk weinig zin in. Hun commandanten zagen in dat de oorlog verloren was en vonden het belangrijker dat de bevolking werd beschermd door de orde te handhaven. Een zekere kolonel Pfeiffer kreeg echter te horen dat hij als deserteur werd aangemerkt wanneer hij de orders zou weigeren en stemde er uiteindelijk mee in om het goud te verbergen. Het eerste plan was om de lading naar de Fereinalm te brengen, een alpenweide hoog op een berg achter de kazerne. Daar stonden verschillende particuliere jachthutten die als schuilplaats konden dienen. Volgens de overlevering weigerde de boswachter van het gebied echter zijn medewerking.
Tegenwoordig zijn de paden naar de Fereinalm goed aangegeven, maar in 1945 was het vrijwel onmogelijk om de weg door de bergen te vinden zonder gids. Daarop werd besloten om de lading naar de bergen ten zuiden van de Walchensee te brengen. Het goud werd uitgeladen bij de woning van de lokale boswachter aan de rand van het meer. Van daaruit werd een gedeelte begraven op een richel die Steinriegel werd genoemd. Met dynamiet werden gaten gemaakt in de grond die groot genoeg waren voor tientallen staven. Op andere plaatsen verstopte men het goud diep tussen de wortels van bomen. Daarna werd alles toegedekt met aarde, mos en takjes, zodat er niets meer van te zien was. Wat niet verstopt kon worden, werd in het meer gedumpt. Omdat vrijwel iedereen in Mittenwald wist van het konvooi, konden de geallieerden er vrij gemakkelijk achter komen wat er was gebeurd. De Amerikanen traceerden het goud en voerden het af. Daarna heeft niemand er meer iets van gezien of gehoord en iedereen gaat er tegenwoordig van uit dat de Amerikanen het in eigen zak hebben gestoken.

Wat mij nog het meest van al verbaast, is dat het geen van de speurders is opgevallen hoe vaak Hammer zichzelf in de voeten schiet. Als indertijd ‘vrijwel iedereen in Mittenwald wist van het konvooi’, dan moest dat ook nog een sterk verhaal zijn dat leefde onder de plaatselijke bevolking, toen Hammer daar wekenlang praatjes liep aan te knopen. Dat de bergjagers met geen woord over dit soort geschiedenissen repten, die al vele jaren lang het onderwerp waren van geruchtmakende televisiedocumentaires ([6]) is eveneens compleet onbegrijpelijk. Hammer, die een professioneel televisieverleden heeft, lijkt ook nooit iets over die documentaires opgevangen te hebben. Voor de rest komt de naam ‘Pfeiffer’ tientallen keren voor in Nazi Gold van Botting & Sayer, en is het volstrekt ongeloofwaardig dat werkelijk niémand van Hammers vele gesprekspartners de ‘onderzoeksjournalist’ in die weken op het spoor van de internationale bestseller heeft gezet. Of gebruikt Hammer de modus operandi die hij al eerder in Satans Lied heeft tentoongespreid, en verwerkt hij zijn lectuur (en het boek Nazi Gold) in fictieve ‘inside information’ die zogenaamd het gevolg is van naarstig speurwerk? En doet hij dat zo klungelig dat zijn plot veel weg heeft van een oer-Hollandse gatenkaas?
Hammer ontdekt nog de initialen van Franz Xaver Schwarz in de runen en vindt een botje bij de Hohen Brendten… met ‘politiespeurtocht naar lijk’ tot gevolg, én een foto uit het Archief Karl Hammer. Maar uiteraard is ook dit niet meer dan een iel stormpje in een enorm glas water en houdt het geen enkel verband met het eigenlijke verhaal.
En uiteindelijk stopt dat verhaal ineens nog voor het goed en wel begonnen is. We zijn dan bij pagina 240. Hammer neemt niet eens meer de moeite er nog een of ander slot aan te breien, of de losse draadjes op te rapen die hij her en der heeft laten rondslingeren.






[4] Bozen is de Duitse naam voor Bolzano.
[6] Op Youtube: Tracking Nazi Gold - Dead Men’s Secrets (http://youtu.be/le1TT53tGEc) en Nazi Underworld (Nazi Gold) (http://youtu.be/YrPFa0Cq7C4) van National Geographic. 

donderdag 19 maart 2015

Bormann's Brief?



Deel 3 van Gezocht Codebrekers is getiteld Berlijn in de bunker en beslaat ruim 50 pagina’s. Daarvan zijn er amper 2 (twee) gewijd aan hét Dramatisch Hoogtepunt van dit boek: het moment waarop pastoor Otto van Bormann de gecodeerde partituur toegestopt krijgt:

Bormann draaide de envelop ongedurig rond. Zonder in details te treden antwoordde hij dat de situatie nog erger was geworden. Hij zuchtte diep en legde de envelop op tafel. De oorlog was verloren en voor de komende dagen stond er een uitbraakpoging gepland om aan de Russen te ontsnappen. Bormann en Fegelein zouden met verschillende groepen vertrekken en omdat de secretaris de enige was die de locatie van het goud voor Werwolf kende, had hij deze toevertrouwd aan de SS-chef.  (…)
Zonder verdere omhaal kreeg Otto te horen dat hij een gecodeerde brief naar Schwarz in München moest brengen waarop de locatie voor Werwolf stond. Het document was te gecompliceerd om via een radiobericht te sturen. Bij de eerste oogopslag herkende Schwarz welke code was gebruikt, dus Otto hoefde niets uit te leggen. De secretaris wilde dat de pastoor onmiddellijk vertrok. Hij was een burger en werd niet gezocht door de Russen die nog ver genoeg weg waren. Otto had moeite om de situatie te bevatten. Als Bormann een uitbraakpoging ondernam, deed Hitler dan hetzelfde? De secretaris schudde het hoofd. De Führer was vast van plan om zich aan zijn woord te houden dat hij in Berlijn zou overwinnen of sterven. Overwinnen was uitgesloten. Bormann bleef tot het laatste moment bij Hitler en zou pas daarna proberen te ontsnappen omdat hij een aantal belangrijke opdrachten had gekregen. Als hij het niet redde, dan had Schwarz via Otto in ieder geval de benodigde middelen om Werwolf te herorganiseren.
Bormann maakte de envelop open en haalde er enkele muziekpartituren uit. Op een van de pagina’s stonden verschillende krabbeltjes, een tekst en enkele runentekens. De runentekens baarden Otto zorgen want als hij aangehouden werd zouden de Russen alleen al daaruit kunnen opmaken dat het een arisch document was. Bormann stelde hem gerust. Russische soldaten konden amper of niet lezen en de runentekens leken enigszins op hun eigen cyrillische schrift. Zeker tussen de muziekstukken met noten, vioolsleutels en andere symbolen, zou het niet opvallen.
Bondig zette hij de rest van zijn plan uiteen. Otto moest in de komende uren vertrekken naar Stahnsdorf, een dorp ten zuidwesten van Berlijn. In het dorp moest hij doen alsof hij een vluchteling was en een week lang iedere middag rond twaalf uur wachten bij de kapel van de begraafplaats ‘Südwestkirchhof’. Als Bormann er op de zevende dag nog niet was, moest Otto aannemen dat hij het niet had gehaald (…).
Daarop vulde Bormann zijn relaas aan met een onverwacht detail. Op het moment dat de Führer definitief naar Berlijn kwam en zijn intrek in de bunker nam, waren enkele persoonlijke bezittingen vanuit zijn huis op de Obersalzberg overgebracht naar geheime locaties. Daaronder bevond zich ook een collectie diamanten die was toegevoegd aan het goud van Werwolf. Bormann had zich hier eerst nog tegen verzet omdat de stenen een grote emotionele waarde hadden.

De versie die Hammer geeft van ‘de feiten’ – zoals ze hem, naar eigen zeggen, werd overgeleverd door Peter Schulz – spoort niet echt met het politieke testament, noch met de persoonlijke wilsbeschikking van Hitler. Zijn politiek testament besluit hij strijdvaardig met een opdracht aan ‘de leiders van de natie en zij die onder hen staan’ om de ‘rassenwetten onbeperkt te handhaven en zich zonder scrupules te verzetten tegen dat universele gif van alle volkeren, het internationale jodendom’. Hitler gaat er met andere woorden vanuit dat er nog zoiets als een natie zal bestaan, zij het dan met een andere (nazi-)leider. Hij denkt in het geheel niet aan een clandestiene verzetsorganisatie als Werwolf. In zijn persoonlijke wilsbeschikking laat hij al zijn bezittingen uitdrukkelijk na aan de partij, mocht die niet meer bestaan aan de staat, en mocht de staat niet meer bestaan, dan hoeft hij niets meer te beslissen… ook niet dat zijn persoonlijke fortuin naar Werwolf zou gaan.
Het relaas van Schulz/Hammer wijkt eveneens af van wat de historici over de laatste paar dagen van Hitler en Bormann vertellen – verslagen die gebaseerd zijn op het relaas van diverse ooggetuigen. John Toland bijvoorbeeld, in Adolf Hitler, het einde van een mythe (A.W. Bruna & Zoon, 1976), schrijft dat Marin Bormann op 29 april voorbereidingen trof om Hitlers testament en zijn persoonlijke wilsbeschikking in handen te krijgen van de opvolger van de Führer, admiraal Dönitz: ‘Om levering zeker te stellen besloot Bormann er twee afzonderlijke boodschappers op af te sturen: zijn eigen persoonlijke adviseur en Heinz Lorenz.’
En hij gaat verder:
Tijdens de laatste vergadering van die dag vertelde generaal Weidling over de bittere, hopeloze gevechten in de straten. (…) Goebbels beschuldigde Weidling met scherpe stem van defaitisme; weer ontstond er een woordentwist. Bormann moest ze tot kalmte brengen zodat Weidling verder kon gaan met zijn verslag.
(…)
Na middernacht nam Hitler in de hoofdeetzaal afscheid van een groep van twintig officieren en secretaressen. Zijn ogen waren vochtig; op Frau Junge maakte hij een afwezige indruk. Hij liep de rij langs om handen te schudden en liep toen de wenteltrap af naar zijn eigen verblijven.
Overal in de bunker vielen de barrières weg en raakten hooggeplaatste officieren in vertrouwelijke gesprekken gewikkeld met hun minderen. In de kantine, waar de soldaten en ordonnansen aten, begonnen ze spontaan te dansen. Het werd zo’n luidruchtige toestand dat een boodschapper van Bormann hen kwam waarschuwen het wat rustiger aan te doen. Bormann probeerde zich te concentreren op een telegram dat hij Dönitz aan het schrijven was. Daarin beklaagde hij er zich over dat alle binnenkomende berichten ‘gecontroleerd, onderdrukt of verdraaid’ werden door Keitel en beval Dönitz ‘onmiddellijk en meedogenloos op te treden tegen alle verraders’.

Op 30 april, na de lunch, riep Hitler zijn twee secretaressen en de kokkin, Bormann, het echtpaar Goebbels en verschillende anderen bij zich: ‘Hitler nam Günsche terzijde en zei hem dat hij en zijn vrouw zelfmoord zouden plegen. Hij wilde dat hun lichamen verbrand zouden worden.’ Om ongeveer half vier pakte Hitler zijn Walther pistool, zette de loop tegen zijn rechterslaap en haalde de trekker over. Eva Braun had toen al vergif genomen. ‘Goebbels, Bormann, Axmann en Günsche waren in de vergaderkamer; ze aarzelden even toen ze het schot hoorden en stormden toen Hitlers antichambre binnen, met Goebbels op kop.’
Schulz/Hammer dateert de scène tussen pastoor Otto en Bormann niet. Die kan echter alleen plaatsgevonden hebben nadat Hitler zijn testamenten had gemaakt op 29 april, en voor zijn zelfmoord op 30 april om half vier. Tenzij we ervan uitgaan dat de ‘trouwste partijgenoot’ op eigen houtje de persoonlijke bezittingen van zijn Führer toevoegde aan de geheime fondsen van Werwolf, of dat hij tegen de persoonlijke wilsbeschikking van Hitler in handelde. Komt daarbij dat onderwerpen als de financiering van Werwolf, het goud en de diamanten van Hitler, of de aanwezigheid van ene aalmoezenier Otto in geen enkele van de vele ooggetuigenverslagen van die laatste dagen aan bod komen. We kunnen het doen en laten van Bormann op 29 en 30 april bijna van uur tot uur volgen, maar een scène zoals Schulz/Hammer die beschrijft, vinden we alleen terug op deze twee pagina’s van Gezocht Codebrekers.
Verscheidene onderzoekers hebben erop gewezen dat het verhaal van Hammer-Schulz over de combine Bormann-Schwarz-Otto indruist tegen een groot aantal historische feiten. Op 25 april waren Hitler en Bormann nog steeds van plan om vroeg of laat terug te keren naar de Obersalzberg bij Berchtesgaden: daar waren op dat moment nog voorbereidingen aan de gang om dat mogelijk te maken, zoals blijkt uit een bericht van de ‘zaakwaarnemer’ van Bormann en Hitler in Berchtesgaden, Helmut von Hummel. De meeste spullen van Hitler met een grote – ook persoonlijke – waarde werden veilig bewaard in de Berghof; slechts een klein deel was in Berlijn.
Pieter Marinus signaleerde al dat Albert Bormann, de adjudant van Hitler én de jongere broer van Martin, door de Führer tussen 20 en 23 april werd weggestuurd uit Berlijn, samen met onder meer zijn andere adjudant Julius Schaub, en admiraal Karl-Jesko von Puttkamer. Albert Bormann werd naar de Obersalzberg gezonden om Hitlers zaakjes daar in orde te brengen, Puttkamer om papieren en persoonlijke spullen te vernietigen. Schaub vloog naar München en deed hetzelfde in het privé appartement van de Führer aan de Prinzregentenplatz, om zich daarna eveneens naar de Berghof te begeven. Op 27 april trok hij alweer naar Zell am See en Mallnitz, waar hij Hitlers persoonlijke trein, de Führerzug, vernietigde.
Op 25 april werd de Obersalzberg zwaar gebombardeerd, en dat zal wellicht nogal wat plannen in de war gestuurd hebben. De geallieerden kwamen eraan, Schaub wilde schilderijen verbranden – maar uiteindelijk werden ze verdeeld onder de vrienden van de Führer. Von Hummel haalde bankrekeningen leeg en drukte meer dan 2000 gouden munten achterover. En Albert Bormann? Hij dook onder, nam de naam Roth aan, ging aan het werk op een boerderij en werd daar pas in april 1949 gevonden en gearresteerd (om al in oktober van hetzelfde jaar weer vrijgelaten te worden).
Dàt zijn gedocumenteerde feiten. Het relaas dat Schulz ophangt en dat Hammer navertelt, wordt op geen enkel punt door een enkel bewijsstuk gedocumenteerd.
Uiteraard is Werwolf geen legende. Maar de manier waarop Werwolf door Schulz en Hammer wordt aangekaart, strookt al evenmin met feitelijke, gedocumenteerde gegevens. Het idee dat er na de nederlaag van Duitsland een ondergronds verzet moest georganiseerd worden, of een guerilla-oorlog, lag tot het bittere eind heel moeilijk bij Adolf Hitler en nogal wat andere nazi leiders, onder wie Martin Bormann. Wie nog maar durfde te suggereren dat Duitsland best wel eens de oorlog kon verliezen, eindigde binnen de kortste keren aan een lantaarnpaal, met zijn hoofd in een strop en een bordje om de hals: ‘Defaitist – Verrader!’ Dit maakt het nog ongeloofwaardiger dat Bormann in het diepste geheim met Schwarz overlegd zou hebben over een financiering van een dergelijk netwerk na een mogelijke nederlaag van Duitsland, dat Hitler eerder al zijn diamanten ‘met grote emotionele waarde’ via Bormann aan Werwolf zou hebben nagelaten, of dat Bormann en Schwarz in hun plannen een volstrekte buitenstaander als pastoor Otto zouden betrokken hebben.
Ik kom hier later nog uitgebreid op terug. 



donderdag 12 maart 2015

Het testament van Hitler



Het valt op hoeveel niet terzake doende informatie Hammer geeft over tal van onderwerpen in De tranen van de wolf/Gezocht Codebrekers, terwijl hij met geen woord rept over het soort informatie dat er wél toe doet. In 1986 al publiceerde Wulf Schwarzwäller onder de titel De miljoenen van Hitler bij De Kern een ‘onthullende geschiedenis van het fortuin dat Hitler wist te vergaren. Waar kwam het vandaan? Waar is het gebleven?’ In de eerste 100 pagina’s van Hammers ‘true crime’ kom je beduidend minder te weten over het onderwerp van zijn boek dan op 10 pagina’s Schwarzwäller.

(Klik op de foto's voor een groter beeld.)



In de vroege ochtenduren van 29 april 1945, kort nadat hij met Eva Braun was getrouwd, dicteerde en ondertekende Hitler in de bunker onder de Berlijnse rijkskanselarij zijn persoonlijke wilsbeschikking ([1]):

Wat ik bezit, behoort – voorzover het althans waarde heeft – aan de partij. Zou deze niet meer bestaan, dan de staat. Zou ook de staat vernietigd worden, dan is een verdere beslissing van mij niet meer nodig.
Ik heb mijn schilderijen in de door mij in de loop der jaren aangekochte collecties nooit voor particuliere doeleinden verzameld, maar steeds alleen voor de uitbreiding van een galerie in mijn thuisstad Linz aan de Donau. Dat deze wilsbeschikking wordt uitgevoerd, is mijn vurigste wens. Tot executeur-testamentair benoem ik mijn trouwste partijgenoot, Martin Bormann. Hij heeft het recht om alle beslissingen definitief en rechtsgeldig te nemen. Het is hem toegestaan om al hetgeen persoonlijke waarde als herinnering bezit, of voor het voeren van een bescheiden burgerleven noodzakelijk is, apart te houden voor mijn broers en zusters, evenals voor de moeder van mijn vrouw, en mijn hem nauwkeurig bekende trouwe medewerkers en medewerksters, bovenal mijn oude secretarissen, secretaresses, mevrouw Winter enzovoorts, die mij jarenlang door hun werk gesteund hebben.
Ikzelf en mijn echtgenote kiezen, om de schande van afzetting of capitulatie te ontgaan, de dood. Het is onze wil dadelijk verbrand te worden op de plaats waar ik het grootste deel van mijn dagelijks werk in de loop van een twaalfjarige dienst aan mijn volk heb bewezen.




Executeur-testamentair Martin Bormann is hoogstwaarschijnlijk omgekomen toen hij met een kopie van het testament op zak door de Russische omsingeling van de rijkskanselarij probeerde te breken. En, zo gaat Schwarzwäller verder:

Hitlers multimiljoenen bestaan niet meer. Zijn vermogen dat hij de partij had nagelaten, werd evenzeer in beslag genomen als zijn kunstschatten die in het Huis van de Führer in München en in de zoutmijnen van Alt Aussee relatief intact werden teruggevonden. Voorzover ze niet aan de oorspronkelijke eigenaars werden teruggegeven, stonden ze tot 1951 onder trustbeheer van de Amerikaanse bezettingsautoriteiten. Sedertdien worden alle vermogensbestanddelen beheerd door de deelstaat, de ‘vrijstaat’ Beieren. Voor zijn bezit in Oostenrijk ligt de beslissingsbevoegdheid in handen van de Oostenrijkse regering.
Het reusachtig terrein op de Obersalzberg wordt eveneens beheerd door de deelstaat Beieren. Vrijwel alles is intussen met de grond gelijk gemaakt. Van Hitlers ‘Berghof’ zijn alleen de omtrekken en het fundament nog zichtbaar. (…)
Ook de circa 7 miljoen Mark aan royalty’s van Mein Kampf die in 1945 nog op de rekening van de uitgeverij-Eher voor Hitler gereed lagen, werden als Nazivermogen in beslag genomen. Het land Beieren eist ook voor de toekomst de auteursrechten van Hitlers geschriften en toespraken voor zich op. Dat wordt echter betwist door Hitlers erfgenamen en hun executeur-testamentair, de historicus prof. Werner Maser. De twist om het auteursrecht is nog niet beslecht. Alleen het Instituut voor Nieuwe Geschiedenis in Stuttgart heeft tot nog toe het auteursrecht van de erfgenamen gedeeltelijk erkend. Bij de uitgave van een beperkte oplage van Hitlers Tweede Boek in 1961 kregen de erfgenamen een bedrag van 3000 DM.
Wie zijn de erfgenamen? Wie zal ooit op de overblijfselen van Hitlers privévermogen aanspraak kunnen maken?
Om iets te kunnen erven moet de erflater om te beginnen officieel overleden zijn verklaard. Hitler stierf op 30 april 1945 kort voor half vier ’s morgens op de leeftijd van 56 jaar, samen met zijn echtgenote Eva, die 33 is geworden.
Dood verklaard werd hij pas elf jaar nadien, op 25 oktober 1956. (…) Op 17 februari 1960 gaf het kantongerecht van München onder nummer 2994/48 een verklaring van erfrecht af ‘in verband met de erfopvolging van Adolf Hitler’ – ‘volgens de op 30.4.1945 in Berlijn overleden rijkskanselier Adolf Hitler op grond van testament na het ontvallen van de vorige erfgename, de NSDAP, voor Paula Hitler.’
Zij zou tweederde deel van het bezit erven. Elk zesde deel zou gaan naar halfbroer, en halfzuster, Alois Hitler, en Angela Hammitsch, weduwe van Raubal, geboren Hitler. Doch beiden waren al overleden. En Paula Hitler overleed op 1 juni 1960 zonder haar erfenis aanvaard te hebben. Op 25 oktober 1960 besliste het kantongerecht van Berchtesgaden (…): ‘Erfgenamen van de op 1 juni 1960 in Schönau overleden Paula Hitler zijn de broer-en-zuster-kinderen Elfriede Hochegger, geboren Raubal, en Leo Raubal, ieder voor de helft.’
Erfgenamen die nog niets hebben geërfd. En het is de vraag of ze er ooit iets van zullen erven. Hitler zelf heeft een precedent voor zijn onteigening gesteld, door voor het eerst in de civilisatiehistorie mensen brutaal en radicaal tot op hun laatste cent te onteigenen – mensen die hem niets anders hadden gedaan dan van een andere religie, een ander ‘ras’ te zijn. Vanuit dit oogpunt zou zijn eigen onteigening in orde moeten zijn.

De laatste dagen van de Führer zijn door diverse ooggetuigen en historici bijzonder gedetailleerd, haast van minuut tot minuut, beschreven. Aangezien de Führer op 29 april 1945 Martin Bormann bij testament heeft aangeduid als executeur-testamentair, is het moeilijk te geloven dat Bormann geheel op eigen houtje en naar eigen inzichten een bestemming heeft bedacht voor ‘het goud en de diamanten van Hitler’. Zoals het ook moeilijk te geloven valt, dat Hitler in zijn testament met geen woord rept over Werwolf, maar wel de partij vermeldt, waaraan hij al zijn bezittingen nalaat. Zowel Hitler als Bormann waren trouwens geen grote liefhebbers van het hele Werwolf-idee, omdat het een nederlaag van het Derde Rijk impliceerde, en dit onderwerp tot op het allerlaatste moment taboe was, of gelijk stond met een executie wegens 'defaitisme'.
De facsimilés van de huwelijksacte, het privé testament en het politiek testament van Hitler werden gepubliceerd door de Eisenhower Archives ([2]) en kunnen makkelijk geraadpleegd worden. Je hoeft er heus geen onderzoeksjournalist voor te zijn. Het zou even geduurd hebben, voordat Adolf Hitler en Eva Braun ertoe besloten gezamenlijk zelfmoord te plegen. Na de huwelijksvoltrekking schijnt Hitler nog geregeld te hebben dat Eva na zijn dood een jaarlijkse toelage zou krijgen. Maar uiteindelijk heeft zij vrijwillig voor de dood gekozen, als een Walküre, zoals de nagelaten geschriften ons willen doen geloven.



donderdag 26 februari 2015

En zo is het weer Donderdag geworden, en het gepaste moment om opnieuw te gaan donderen:

 Je kunt geen zinnige dingen vertellen over de gecodeerde partituur als je vertrekt van de verkeerde premisse. Men heeft het document ‘de Pastoorsbrief’ genoemd, alsof een pastoor er de auteur van zou zijn – wat zelfs in het relaas van Karl Hammer niet het geval is. Het document staat tevens bekend als ‘de Bormann Brief’, maar dat de code werd bedacht door Martin Bormann staat ook lang niet vast. 

Karl Hammer-Kaatee met het Tau Kruis - foto met toestemming van: 


Als puntje bij paaltje komt, kennen we de gecodeerde partituur uitsluitend via ‘een op feiten gebaseerd’ verslag van Karl Hammer, waarvan we alleen het woord van Karl Hammer hebben dat het op feiten gebaseerd is. Want het verhaal dat Hammer ophangt, wordt niet ondersteund door ook maar één enkel hard materieel bewijs. In interviews, zoals in Reyers Laat, benadrukt hij keer op keer dat zijn verhaal ‘gedocumenteerd’ is, maar dat is hoegenaamd niet zo. Gezocht Codebrekers bevat heel wat documenten en foto’s uit het ‘Archief Karl Hammer’, maar geen enkele van de personages die cruciaal zijn voor de geloofwaardigheid van zijn verslag, met name: Peter Schulz en pastoor Otto. Van partijboekhouder Franz Xaver Schwarz krijgen we anderzijds zowel foto’s als brieven te zien, die volstrekt irrelevant zijn voor het verhaal.
Volgt hieruit dat de Marsch-Impromptu fake is? Niet noodzakelijk. Gesteld dat Schulz en pastoor Otto verzinsels zijn van Hammer, dan zegt dat nog niets over de authenticiteit van de gecodeerde partituur. Maar je zult het met mij eens zijn dat een schattenjacht weinig zin heeft als je niet beschikt over de volledige en correcte achtergrondinformatie. En wat de gecodeerde partituur betreft, ontbreekt die op de meest volstrekte wijze. Omdat onderzoeksjournalist Karl Hammer dingen voor ons verzwijgt, omdat hij ze in ondoordringbare nevelen hult, of omdat hij ze door steeds wijdere omtrekkende (schijn)bewegingen aan ons zicht onttrekt.
Soms lijkt het erop of Karl Hammer niet wil dat iemand de Nazi Schat zou vinden. Maar met welke bedoelingen heeft hij er dan twee keer hetzelfde boek over gepubliceerd, zij het wel onder een andere titel? Op de Bol.com pagina van Gezocht Codebrekers lezen we bij de pluspunten ‘lijkt op een slimme verkooptruc’, en bij de minpunten ‘lijkt op een slimme verkooptruc’. Maar is het dan echt alleen dàt, en niets meer? Much ado about nothing?
Ik denk van niet. Sterker nog: ik weet heel zeker dat het much ado about Some Thing is.
Maar wat verzwijgt Hammer dan voor zijn lezers? Wat is het dat hij in nevelen wil verhullen en aan het zicht onttrekken?   En als het geen slimme verkooptruc betreft, wat zijn dan de ware bedoelingen van Karl Hammer?
Eén ding staat vast: in het hoofd van Hammer kan ik niet kijken. Maar op de andere vragen kan ik je wel het antwoord geven, als je tenminste het geduld opbrengt om de hele rit uit te zitten. Soms zul je misschien niet meteen de relevantie of de draagwijdte van mijn uitweidingen zien, maar geloof me vrij: er is een Groter Plan.

Om deze code te decoderen, moeten we niet alleen het document zelf uitputtend analyseren, maar ook de context waarin de Marsch-Impromptu ons heeft bereikt. En die heeft alles te maken met de persoon van  Karl Hammer, en de boeken die hij als ‘onderzoeksjournalist’ heeft gepubliceerd.
Laten we dus met de persoon Karl Hammer beginnen. Google je ‘Wikipedia Karl Hammer’ dan stoot je op een gebruikerspagina van de man, die hij in 2013 is gestart, omdat hij ‘als schrijver-journalist en kunstfotograaf’ veelvuldig gebruik maakt van de online encyclopedie. Aangezien iedereen er ‘van alles op ieder moment’ in kan schrijven, acht hij de Wikipedia-informatie een ‘zachte bron’ die nadere verificatie behoeft.
Met deze reserves in het achterhoofd, kunnen we op de Nederlandse Wikipedia van Karl Hammer Kaatee lezen dat hij in 1969 geboren werd als een kind van de Amsterdamse Wallen. Hij groeide op in een gewelddadig gezin, in een ’nachtwereld van prostitutie, wapens, drugs, overvallen en fraude’. Nadat zijn vader Piet Kaatee stierf, nam hij de naam van zijn pleegvader aan, Hammer.
Tot de familie van Karl Hammer Kaatee behoort Marcel Kaatee, die als ‘boekhouder’ van topcrimineel Willem Holleeder van allerlei feiten werd beschuldigd, maar uiteindelijk op alle punten vrijgesproken ([1]). Nog steeds volgens Wikipedia was hij bevriend met de zoon van ‘Zwarte Joop’, de ‘Godfather van de Amsterdamse onderwereld’ ([2]). En met Maarten Geurts, die in 1990 van de radar verdween, en van wie wordt aangenomen dat hij ‘door de penoze werd gemold’ – om het even in de gepaste stijl uit te drukken.
Een groot deel van zijn jonge jaren bracht Karl Hammer door in tehuizen, vervolgens tuchthuizen, daarna de gevangenis. Nadat hij voor langere tijd in de cel belandde, keerde hij – als volwassen man – de criminaliteit definitief de rug toe: ‘Opeens zag ik dat ik zo niet verder kon. Mijn leven bestond uit niets en leidde tot niets. Dat moest veranderen.’
Hammer Kaatee ging in de jaren 80 als schoonmaker werken bij het AVRO televisieprogramma Stuif es in en bracht het tot productieassistent en video-editor bij programma’s als Vinger aan de Pols en Toppop. Hij werkte als radiopresentator bij Cable One, en als regisseur voor Joop van den Ende (TV10 / RTL-Veronique). Door zijn ontdekking van een lacune in de mediawetgeving slaagde hij erin de hegemonie van de publieke omroep op de etherfrequenties te doorbreken, waardoor commerciële radio mogelijk werd. Begin jaren 90 werkte hij als manager en regisseur voor grote internationale mediabedrijven als de KirchGruppe en Pearson International, en was hij ook te vinden op grote evenementen als het Filmfestival van Cannes.
In 2006 startte Hammer zijn carrière als onderzoeksjournalist, met de publicatie door uitgeverij Elmar van het boek Satans Lied, dat als ondertitel heeft: De jacht van de CIA op Jezus – maar eigenlijk ‘over de occulte motieven voor de roof van het paneel De Rechtvaardige Rechters’ handelt.
In 1934 werd het paneel met die naam gestolen uit het wereldberoemde altaarstuk Het Lam Gods van de gebroeders Van Eyck, dat bewaard werd (en wordt) in de Sint-Baafskathedraal in Gent. Het onschatbare kunstwerk is nog steeds niet terecht. In België, maar vooral in Vlaanderen, is deze mysterieuze zaak uitgegroeid tot een soort Monster van Loch Ness. De Gentse commissaris Karel Mortier wijdde sinds de jaren 60 een aantal ‘criminologische studies’ aan de kwestie. In 1991 zorgde Patrick Bernauw met zijn boek Mysteries van het Lam Gods voor een nieuwe wending: hij koppelde de roof van het paneel aan de ketterse achtergronden van het Lam Gods, dat bekend stond als ‘een hoogtepunt van christelijke mystiek’. Het Lam Gods zou een gecodeerd kunstwerk zijn, waarop de Graal en de Tempeliers figureren. Hiermee legde hij de link tussen de mysteries die het kunstwerk omgeven en Het Heilig Bloed & de Heilige Graal van Baigent, Leigh & Lincoln, over de ‘bloedlijn’ van Christus – jaren voordat Dan Brown zich het thema toeëigende met De Da Vinci Code. Bernauw was ook de eerste die een ‘nazi plot’ ontwaarde achter de roof van het paneel en de dood van vermoedelijke dader Arsène Goedertier ([3]).
Hammers versie van het ‘waargebeurd verhaal’, zijn ‘getrouwe weergave van feiten en omstandigheden’ werd in 2010 door Stacey International gepubliceerd in het Engels onder de titel The secret of the sacred panel, waarna het in verschillende andere landen vertaald werd. In 2011 verscheen een licht uitgebreide en herziene versie bij Elmar, met als titel De grootste kunstroof uit de geschiedenis, het geheim van de verdwenen Rechters.
Ongeveer tegelijkertijd met het schrijven van zijn boek over ‘de jacht van de CIA op Jezus’, en naar eigen zeggen door toedoen van hoofdfiguur Tom R., raakte Karl Hammer meer dan nauw betrokken bij de joods-christelijke secte van de Ebionieten, die gelooft dat Jezus de natuurlijke zoon was van Jozef en Maria. Satans Lied eindigt met een aantal Ebionieten die Tom R. in 1974 de Arma Christi tonen, de ‘marteltuigen van Christus’. Hun logo is een cirkel met een palmblad, maar zij gebruiken ook het ‘Tau kruis’, dat de vorm heeft van de letter T. De Tau wordt zowel in verband gebracht met Franciscus van Assisi en Sint-Antonius, als – in de Germaanse mythologie – met de Hamer van Thor ([4]).
Nadat hij op de voorgrond was getreden als onderzoeksjournalist, begon Hammer zich ten slotte te profileren als kunstfotograaf. Hij beoefent het ‘imaginair realisme’, een afsplitsing van het ‘magisch realisme’, waarvan het zich onderscheidt omdat het uitsluitend realistische elementen gebruikt in fantastische scènes. Zijn onderwerpen zijn mythologisch, en hebben bijgevolg ook een groot symbolisch gehalte. Zijn fotografisch werk spreekt tot de toeschouwer in een ‘gecodeerde taal’ ([5]).  






[2] De ware naam van Zwarte Joop is Maurits De Vries, zie o.a. http://nl.wikipedia.org/wiki/Maurits_de_Vries

[3] De jonge Amerikaanse kunsthistoricus Noah Charney schreef een standaardwerk over de zaak: Het Lam Gods, ’s werelds meest begeerde meesterwerk, Luitingh, 2011.